oeverloosheid
Uiterlijk
- oe·ver·loos·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oeverloosheid | oeverloosheden |
| verkleinwoord |
de oeverloosheid v
- het oeverloos zijn
- De oeverloosheid van het nu al vele jaren aanhoudende conflict gaat iedereen vervelen.
- Het woord oeverloosheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.