odium

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • odi·um
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘het hatelijke’ voor het eerst aangetroffen in 1914 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord odium
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

odium o [3]

  1. haat, vijandschap, wrok
  2. slechte reputatie
    • De echte Senaat kan pas opstaan op het einde van de regeertermijn, wanneer hoogstwaarschijnlijk een verklaring tot herziening van de grondwet goedgekeurd moet worden. Ook de N-VA-senatoren gaan ervan uit dat ze op dat moment wel een belangrijke rol kunnen spelen. Dan moet de vergadering intussen wel het odium afschudden een bezigheidstherapie van vijftig miljoen per jaar te zijn. [4] 
    • Verenigingen van militairen en veteranen vormen een invloedrijke lobby in Washington. Democraten noch Republikeinen willen het odium op zich laden dat zij de mannen en vrouwen in uniform in de kou laten staan. Maar zelfs als die weerstand kan worden gebroken, zullen met name de landmacht en het korps mariniers hun personele omvang met zo'n 15 procent moeten verkleinen, aldus Williams. [5] 

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Verwijzingen