occlusie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oc·clu·sie
enkelvoud meervoud
naamwoord occlusie occlusies
verkleinwoord occlusietje occlusietjes

Zelfstandig naamwoord

occlusie v

  1. (medisch) afsluiting
  2. het op elkaar sluiten van tanden en kiezen in ruststand
  3. insluiting, bv. van een verontreiniging in een kristal, van een gas in een metaal, van de warme sector van een frontale depressie door een koufront (occlusiefront)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie