nukkig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuk·kig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van nuk met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nukkig nukkiger nukkigst
verbogen nukkige nukkigere nukkigste
partitief nukkigs nukkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

nukkig

  1. (psychologie) iemand met een grillig en boze stemming of karakter
    • Het nukkige meisje trok een pruilmondje en stampte met haar voeten op de grond. 
    • Het nukkige kind deed expres alles verkeerd. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.