nuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuk
enkelvoud meervoud
naamwoord nuk nukken
verkleinwoord nukje nukjes

Zelfstandig naamwoord

nuk v/m

  1. (psychologie) een grillige maar vooral ook boze stemming
    Het nare kind had weer zijn nukkken.
Synoniemen
  1. gril, kuur