noodhulp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

noodhulptent
Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·hulp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodhulp noodhulpen
verkleinwoord noodhulpje noodhulpjes

Zelfstandig naamwoord

noodhulp v/m[2]

  1. tijdelijke hulp voor mensen in nood
    • Na de aardbeving duurde het een week voordat noodhulp in voldoende mate aanwezig was. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen