mensdom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mens·dom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mensdom
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mensdom o [2]

  1. alle mensen van alle plaatsen en tijden tezamen als één groep
    • Hoewel het mensdom maar al te goed weet hoe het met de dinosaurussen afgelopen is, stoppen we niet al te veel energie in het voorkomen van de volgende botsing. Er is nu eenmaal de ijzeren psychologische wet ‘het zal mijn tijd wel duren’. Wij mensen lossen de problemen wel op wanneer ze zich voordoen. Dus behalve een klein clubje bij de Nasa, het Planetary Defense Coordination Office, stopt niemand er tijd en geld in. Ook al omdat de Nasa-geleerden tot nu toe geen enkele ruimtekei gevonden hebben die de komende paar eeuwen wel eens gevaarlijk dicht in onze buurt kan komen. En ze kennen er al zo’n achtduizend die groter zijn dan 140 meter. [3] 
    • In het voorwoord stelt Stifter dat de verhalen tot taak hebben ‘de zachte wet… waardoor het mensdom wordt geleid’ te ‘doorgronden’. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. mensdom op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. De Standaard MAANDAG 31 JULI 2017
  4. NRC Peter Veldhuisen 15 augustus 2008
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be