meanderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·an·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meanderen
meanderde
gemeanderd
zwak -d volledig

Werkwoord

meanderen

  1. inergatief bochtig door het landschap kronkelen
    • De Dortherbeek heeft, getuige de sterk slingerende gemeentegrens, in het verleden sterk gemeanderd. 
  2. overgankelijk in zijn oorspronkelijke kronkelende loop herstellen
    • De loop van dit riviertje is vanaf hier al gemeanderd door Het Brabants Landschap. 
  3. ergatief overdrachtelijk langs een kronkelende weg reizen
    • De reis startte in Delhi van waaruit we naar het zuiden zijn gemeanderd via Agra, Jaipur, Pushkar, Jodhpur en Udaipur. 
  4. overgankelijk kronkelend afwerken bij het naaien
    • De rand heb ik met de machine gemeanderd om 'm wat extra stevigheid te geven. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie