marimba

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·rim·ba
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Bantoe, in de betekenis van ‘slaginstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1929 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord marimba marimba's
verkleinwoord marimbaatje marimbaatjes

Zelfstandig naamwoord

marimba v/m

  1. (muziekinstrument) een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
    • Die muzikant is zeer bedreven met de marimba. 
Vertalingen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

marimba

  1. (muziekinstrument) marimba


Frans

Zelfstandig naamwoord

marimba m

  1. (muziekinstrument) marimba


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /mɑ.ˈɾim.bɑ/
enkelvoud meervoud
marimba marimbas

Zelfstandig naamwoord

marimba v

  1. (muziekinstrument) marimba