margriet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een margriet.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·griet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1581 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord margriet margrieten
verkleinwoord margrietje margrietjes

Zelfstandig naamwoord

margriet v/m

  1. (plantkunde) Leucanthemum, een plantenfamilie waarvan de samengestelde bloem bestaat uit een geel hart en witte bloembladeren
    • Hij kocht een bos margrieten voor zijn vriendin. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen