maracuja

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

maracuja
Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ra·cu·ja
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Portugees
enkelvoud meervoud
naamwoord maracuja maracuja's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

maracuja m

  1. (fruit) (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora op Wikispecies
     Ik rol de gekaarde polyamide door de gele verf, die de naam Maracuja heeft gekregen.[1]
     'Ik ben jaloers op jullie ingrediënten daar', zegt vriendin S. wanneer ik onze chatsessie op Facebook onderbreek om naar de supermarkt te gaan. Het is waar, de Braziliaanse winkelrekken liggen vol met mooie, exotische etenswaren. Maracujá, cupuaçú, chuchu, mandioquinha, tapioca en dendê: ik word vrolijk alleen al van de namen en kleuren. Maar wat moet ik er in godsnaam mee aanvangen?[2]
     Nadien moet je de fruitsoort kiezen. De traditionele caipirinha wordt met cachaça en limoen gemaakt, maar smaakt ook met typisch Braziliaanse fruitsoorten zoals jacuticaba, maracujá en caju.[3]
Synoniemen


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Renée van Marissing “Onze kinderen” (2021), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021414461
  2. Bronlink geraadpleegd op 25 april 2022 Weblink bron Kim De Craene “Koken in Brazilië: spaghetti bolognaise en caipirinha's” (26/03/2014), De Standaard
  3. Bronlink geraadpleegd op 25 april 2022 Weblink bron Kim De Craene “BLOG. De perfecte Braziliaanse caipirinha maakt u zo” (11/06/2014), De Standaard