mankeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mankeren
mankeerde
gemankeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

mankeren

  1. (onpersoonlijk) een gebrek hebben
    Het mankeerde hem aan doorzettingsvermogen.
  2. (absoluut) iets ~ aan: een gebrek vertonen
    Er mankeerde van alles aan die vertaling.
  3. (absoluut) iets ~: een ziekte of gebrek hebben
    Hij heeft nog nooit iets gemankeerd.