mankeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mankeren
mankeerde
gemankeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

mankeren

  1. (onpersoonlijk) een gebrek hebben
    • Het mankeerde hem aan doorzettingsvermogen. 
  2. absoluut iets ~ aan: een gebrek vertonen
    • Er mankeerde van alles aan die vertaling. 
  3. absoluut iets ~: een ziekte of gebrek hebben
    • Hij heeft nog nooit iets gemankeerd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.