losbinden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·bin·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
losbinden
bond los
losgebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

losbinden

  1. overgankelijk iets uit bindingen losmaken
    • De gevangene was nog niet losgebonden of hij begon woest te slaan en te schoppen. 

Gangbaarheid