lachbek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lach·bek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lachbek lachbekken
verkleinwoord lachbekje lachbekjes

Zelfstandig naamwoord

lachbek m

  1. iemand die veel moet lachen; iemand met gevoel voor humor
    • Het reuzenpaar Dansia Sprot en Dokus Lachbek kreeg naar aanleiding van de Waterhoekfeesten in deelgemeente Heestert een plechtige ontvangst in het gemeenschapshuis. De reden daarvoor was dat ze vijftig jaar geleden huwden. In 1987 kwam er hun dochter Prudence bij die intussen zelf al trouwde met Kaspart Bloeiaard van de wijk Kappaert en haar ouders kleinzoon Filbert schonk. (djw) [1] 
    • Bent u nogal een lachbek, surf dan naar de link onderaan dit artikel. Daar vindt u een hoopje filmpjes dat doet gniffelen, grijnzen en schuddebuiken: De beroemde ‘four candles’-sketch van The Two Ronnies mag vandaag wat belegen lijken, het blijft het beste voorbeeld van woordhumor op basis van homofonen. [2] 
Synoniemen


Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. De Standaard 22 OKTOBER 2008 Reuzen
  2. De Standaard 08 NOVEMBER 2013 Taalhumor in beeld