kroost

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kroost
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kinderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1639 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kroost -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kroost o

  1. nageslacht, jongen, broedsel
    • De moedereend zwom voorop gevolgd door haar kroost. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
krozen

kroost

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krozen
    • Jij kroost. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krozen
    • Hij kroost. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van krozen
    • Kroost! 

Verwijzingen