koutje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kou·tje
Woordherkomst en -opbouw
  • Verkleinwoord van kou.
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord koutje koutjes

Zelfstandig naamwoord

koutje o dim. tant.

  1. (medisch) een verkoudheid
    • Hij had een koutje opgelopen. 
    • Het lijkt een faux pas. Een kuchje op het verkeerde moment. ‘Sorry’, zegt het kamermeisje Abigail (Emma Stone) als de explosieve koningin Anne (Olivia Colman) haar vinnig aankijkt. ‘Ik denk dat ik een koutje heb gevat toen ik gisteren de kruiden plukte tegen uw jicht.’ [1] 
Gelijkklinkende woorden

Zelfstandig naamwoord

koutje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kou
Vertalingen
Woordafbreking
  • kout·je

Zelfstandig naamwoord

koutje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kout

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen