kooiker
Uiterlijk
- kooi·ker
- In de betekenis van ‘houder van een eendenkooi’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1856 [1] [2][3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kooiker | kooikers |
| verkleinwoord | kooikertje | kooikertjes |
de kooiker m
- houder van een eendenkooi
- Het woord kooiker staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kooiker" herkend door:
| 74 % | van de Nederlanders; |
| 20 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "kooiker" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ kooiker op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be