koest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koest
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tussenwerpsel: rustig!’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1722 [1]
stellend
onverbogen koest
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

koest

  1. rustig, in combinatie van zich koest houden
    • Nadat de voetballer een gele kaart had gekregen, wist hij dat hij zich moest koest houden. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving met meest worden gebruikt.[2][3]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen