knevelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kne·ve·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knevelen
knevelde
gekneveld
zwak -d volledig

Werkwoord

knevelen

  1. (overgankelijk) binden, boeien
    De medewerker van het tankstation werd na de overval gekneveld achtergelaten.
  2. (overgankelijk) onderdrukken, de mond snoeren
    De dictator knevelt de vrije pers.
Vertalingen