knevelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kne·ve·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knevelen
knevelde
gekneveld
zwak -d volledig

Werkwoord

knevelen

  1. overgankelijk binden, boeien
    • De medewerker van het tankstation werd na de overval gekneveld achtergelaten. 
  2. overgankelijk onderdrukken, de mond snoeren
    • De dictator knevelt de vrije pers. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.