knekel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

doodshoofd met knekels
Uitspraak
Woordafbreking
  • kne·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘doodsbeen’ voor het eerst aangetroffen in 1769 [1]
  • afgeleid van knoken [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord knekel knekels
verkleinwoord knekeltje knekeltjes

Zelfstandig naamwoord

knekel m [3]

  1. een bot van een dood persoon
    • De rioolwerkers hebben de knekels overhandigd aan Gerrit Key, die vanuit zijn kantoortje op het plein de verhuur van de kerk organiseert. Key verzamelt de botten en de werklui voorzien hem telkens van nieuwe vondsten - een flinke doos vol inmiddels. De exploitant van de kerk nam contact op met Bureau Monumenten en Archeologie, maar kreeg te horen dat men er geen belangstelling voor heeft, tenzij er een compleet skelet zou worden gevonden.[4] 
    • Duizenden botten lagen 430.000 jaar lang onaangeroerd in Sima de los Huesos, de Knekelput. Inmiddels hebben Spaanse archeologen deze grotkamer onder de heuvels van Atapuerca in noord-Spanje volledig binnenstebuiten gekeerd. Bij elkaar vonden ze 6.700 menselijke botten en tanden, waaronder twee prachtige schedels.[5]  
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.

Verwijzingen