klonter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klon·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord klonter klonters
verkleinwoord klontertje klontertjes

Zelfstandig naamwoord

klonter m

  1. een brok min of meer vaste stof in een vloeiende massa
    • Je moet goed roeren anders krijg je klonters. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klonteren

klonter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klonteren
    • Ik klonter. 
  2. gebiedende wijs van klonteren
    • Klonter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klonteren
    • Klonter je? 
Opmerkingen
  • Door de betekenis ervan komt het werkwoord vrijwel alleen in de derde persoon voor.

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be