klaaghuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klaag·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klaaghuis klaaghuizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

klaaghuis o [1]

  1. een huis waar men rouwt
    • Brandweercommandant Frans Schippers: „Ik herken wat er in Spreuken staat: Het is beter te gaan in het klaaghuis dan in het huis der maaltijden.” [2] 
Synoniemen


Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.


Verwijzingen