kindsheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kinds·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kindsheid -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kindsheid v [1] [2]

  1. tijd van de kinderjaren
  2. (medisch) het verlies van mentale vermogens aan het eind van het leven waardoor ouderen even afhankelijk als kinderen worden
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen