kiesdistrict

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kies·dis·trict
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kiesdistrict kiesdistricten
verkleinwoord kiesdistrictje kiesdistrictjes

Zelfstandig naamwoord

kiesdistrict o [1]

  1. een van de delen waarin een land wordt verdeeld bij verkiezingen en voor ieder district een of meer vertegenwoordigers worden gekozen
    • In een land met evenredige vertegenwoordiging is er bij landelijke verkiezingen eigenlijk maar één kiesdistrict 
    • Johnson is wel op campagne, alleen niet vaak in zijn eigen kiesdistrict. De Conservatieven, benauwd over de peilingen die nog altijd wijzen op een nek- aan-nekrace, zetten hem in andere districten in, waar winst allerminst zeker is. Hij is een beroemdheid: iedereen wil met hem op de foto, hij wordt met gejuich begroet, en trekt ook kiezers die niet Conservatief zijn. In de partij vragen sommigen zich af waarom Johnson niet nóg meer wordt inzet.[2] 
    • Bayrou is door de affaire onder druk komen te staan. Politieke moraal is zijn stokpaardje en hij mocht een wet op de 'moralisering van het politieke leven' presenteren. Parlementariërs mogen niet langer hun vrouw en kinderen inhuren, ze mogen niet langer dan drie ambtstermijnen volmaken, moeten hun uitgaven beter verantwoorden en ze krijgen geen potje meer waarmee ze in hun kiesdistrict naar eigen inzicht cadeaus mogen uitdelen. [3]  
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Titia Ketelaar 22 april 2015
  3. Volkskrant Peter Giesen 21 juni 2017,