jambisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam·bisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen jambisch jambischer
verbogen jambische jambischere
partitief jambisch jambischers -

Bijvoeglijk naamwoord

jambisch [1]

  1. (dichtkunst) (letterkunde) met het ritme van een jambe, een versvoet van een onbeklemtoonde lettergreep, gevolgd door een beklemtoonde
     De gedichten zijn, behoudens een enkele uitzondering, opgebouwd uit drie strofen en het aantal gedichten met een ononderbroken jambisch ritme is wel erg hoog. Ondanks het hoogstaande onderwerp maakt dit ze toch voorspelbaar en uiteindelijk enigszins teleurstellend.[2]
     Plots weet een meisje op de achterste rij het. Ze komt naar voren en zet met een rode stift streepjes onder ”welk”, ”len”, ”um” en ”telt”. Conclusie: een jambisch metrum.[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron 28-05-2010 “Vertrouwen en schuldgevoel” (Klaas Fraanje), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink Weblink bron Chris Klaasse “Bij ”De idioot in het bad” kun je een speld horen vallen” (04-02-2019), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be