jacuzzi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja·cuz·zi
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘systeem van onderwaterstralen die het lichaam masseren’ voor het eerst aangetroffen in 1992 [1]
  • Door merkverwatering generieke aanduiding geworden voor bubbelbaden
enkelvoud meervoud
naamwoord jacuzzi jacuzzi's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jacuzzi m

  1. een bubbelbad

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen