internette

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·net·te

Werkwoord

vervoeging van
internetten

internette

  1. enkelvoud verleden tijd van internetten
    • Ik internette. 
    • Jij internette. 
    • Hij, zij, het internette. 
  2. aanvoegende wijs van internetten