integral

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
integral - -

Bijvoeglijk naamwoord

integral

  1. onlosmakelijk, integraal
    «Our network has been an integral part of the history of emancipation.»
    Ons net is een onlosmakelijk deel geweest van de geschiedenis van de emancipatie.
enkelvoud meervoud
integral integrals

Zelfstandig naamwoord

integral

  1. (wiskunde) integraal
    «This integral is not easy to evaluate.»
    Deze integraal is lastig te bepalen.