integraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·te·graal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘volledig’ voor het eerst aangetroffen in 1814 [1]
  • afgeleid van het Franse intégral [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord integraal integralen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

integraal v/m

  1. (wiskunde) limiet van de som van onbepaald afnemende termen
Hyponiemen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen integraal integraler integraalst
verbogen integrale integralere integraalste
partitief integraals integralers -

Bijvoeglijk naamwoord

integraal

  1. voltallig, geheel, allesomvattend, volledig: -grale publicatie (bw) (bn)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen