integraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·te·graal
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen integraal integraler integraalst
verbogen integrale integralere integraalste
partitief integraals integralers -

Bijvoeglijk naamwoord

integraal

  1. in zijn geheel, met alle onderdelen waaruit het bestaat
     Toch had ik haar hele lijst integraal ingekocht in een gigantische supermarkt in San Diego, genoeg voor de eerste zeven weken.[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord integraal integralen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

integraal v/m

  1. (wiskunde) limiet van de som van onbepaald afnemende termen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen