iepziekte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iep·ziek·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord iepziekte iepziektes
iepziekten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

iepziekte v

  1. (plantkunde) schimmelziekte die het geslacht iep en zelkova aantast
    • Iepen die aangetast zijn door iepziekte hebben dode takken. 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
30 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be