horecagelegenheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·re·ca·ge·le·gen·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord horecagelegenheid horecagelegenheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

horecagelegenheid v

  1. een zaak die onderdeel uitmaakt van de horecabranche
     Ook al zijn de normen voor een horecagelegenheid ten aanzien van geluidsregelingen strenger dan in andere gevallen, dan nog kan er overlast bestaan.[1]
     Om te beginnen besloot hij een kleine horecagelegenheid te bouwen, zoals hij het noemde. 's Zomers komen de toeristen, 's winters de skiërs. Het restaurant verdient het geld voor de bouw van een groot huis, waarin wij in de toekomst een pension openen.[2]
     Het exploiteren van een horecagelegenheid wordt bijvoorbeeld in het Bal niet als milieubelastende activiteit aangewezen, zodat het voorkomen of het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu niet op rijksniveau zijn gereguleerd.[3]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Huib Hielkema, Cor Goudriaan “Burenoverlast” (2009), Maklu, ISBN 9046601951, p. 28
  2. Bronlink Weblink bron Stella Muller-Madej “Door de ogen van een vrouw” (2012), Singel Uitgeverijen, ISBN 9044526537, p. 207
  3. Bronlink Weblink bron mr. dr. R. Kegge “Het omgevingsplan, integraal en marginaal?” (2017), Instituut voor Bouwrecht, ISBN 9463150285, p. 30