gelegenheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·le·gen·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plaats m.b.t. haar ligging’ voor het eerst aangetroffen in 1399 [1]
  • Afgeleid van gelegen met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord gelegenheid gelegenheden
verkleinwoord gelegenheidje gelegenheidjes

Zelfstandig naamwoord

gelegenheid v

  1. mogelijkheid tot
    • In het schema is er gelegenheid om een kop koffie te drinken. 
    • Geen slechte gelegenheid om Albert eens gade te slaan. [2] 
    • Een jubileum waar niemand bij stil staat, verdient die naam misschien niet. Een herdenking met één deelnemer, dat klinkt niet koosjer. Toch grijp ik de gelegenheid, omdat het kinderboek dat precies 25 jaar geleden verscheen, met elke verhuizing mee mocht: Plinius Pinguïn (1990) van Boudewijn Büch (1948-2002), met tekeningen van Pauline Drost. [3] 
  2. een zaak
    • Weet jij een gelegenheid waar ik een nieuwe broek kan kopen? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen