hoogstgeplaatst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoogst·ge·plaatst
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen hoogstgeplaatst
verbogen hoogstgeplaatste
partitief hoogstgeplaatsts

Bijvoeglijk naamwoord

hoogstgeplaatst

  1. de hoogste plaats in een rangorde innemend
    • Jetten en Horbach, hoogstgeplaatst in de competitie om het nationale kampioenschap betrouwbaarheidsritten van de KNAC, hebben de 12e Scheveningen-Luxemburg-Scheveningen-rit gewonnen. [1]
Opmerkingen

Gangbaarheid

Verwijzingen