hondenvel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon·den·vel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hondenvel hondenvellen
verkleinwoord hondenvelletje hondenvelletjes

Zelfstandig naamwoord

hondenvel o [1]

  1. de huid van een hond
    • Aangetrokken door de glamour en de discipline van deze beroepsgroep, leerde de Amerikaanse Dalby als de geisha Ichigiku de shamisen bespelen, een driesnarige luit met een klankkast van katten- of hondenvel. Ze nam zangles en net als haar `zusters' werd ze 's avonds regelmatig opgepiept om in een landhuis of in een restaurant de bobo's van het bedrijfsleven te amuseren. [2] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen