hield bezig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hield be·zig
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
bezighouden

hield bezig

  1. enkelvoud verleden tijd van bezighouden
    • Ik hield bezig. 
    • Jij hield bezig. 
    • Hij, zij, het hield bezig. 


Gangbaarheid