hield

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hield

Werkwoord

vervoeging van
houden

hield

  1. enkelvoud verleden tijd van houden
    • Ik hield. 
    • Jij hield. 
    • Hij, zij, het hield. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be