grootsheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groots·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grootsheid grootsheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

grootsheid [1]

  1. verheven boven de rest van de wereld
    • De deftigheid en de grootsheid van de Oranjes is door de eeuwen heen een stralend voorbeeld geweest voor de Nederlandse adel. 
  2. van een hoge morele standaard
    • Het getuigde van grootsheid dat hij applaudisseerde voor zijn tegenstander die zo'n mooie overwinning had behaald. 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen