grommen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grom·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grommen
gromde
gegromd
zwak -d volledig

Werkwoord

grommen

  1. (inergatief) een dreigend geluid voortbrengen
    Er werd gegromd en geblaft, maar tot een gevecht kwam het niet.
  2. (overgankelijk) nijdig op brommende toon uiten
    De oude rechercheur gromde een verwensing.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. Baantjer, A.C. De Cock en een recept voor moord (2007) ISBN 902612239X; p. 1