grazen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gra·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gras eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grazen
graasde
gegraasd
zwak -d volledig

Werkwoord

grazen

  1. inergatief het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
    • De koeien graasden vredig in de wei. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iemand te grazen nemen
iemand een gemene streek leveren, op gemene manier er tussen nemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen