gokschuld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gok·schuld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gokschuld gokschulden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gokschuld v/m

  1. schuld ontstaan door het spelen van kansspelen
    • Ook bij de tweede deelnemer, Marco (34) met een verleden als student economie en bedrijfskunde en gokschulden („in de zes cijfers”), zie je de waakzaamheid van iemand die op straat woont. Beiden kijken veel om zich heen en naar de camera, want je moet nu eenmaal ogen in de rug hebben. [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Hans Beerekamp 26 oktober 2016