glos
Uiterlijk
- glos
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kanttekening’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
- [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | glos | glossen |
| verkleinwoord | glosje | glosjes |
- verklarende aantekening of vertaling van een woord tussen de regels of in de marge van een tekst
- Het woord glos staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "glos" herkend door:
| 64 % | van de Nederlanders; |
| 69 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "glos" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ glos op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 64 %
- Prevalentie Vlaanderen 69 %