gezwenk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zwenk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezwenk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gezwenk o

  1. gedraai
    • Zij stoeien wild, in snel gezwenk, gebuig,
      De monden frisch als vochtig-versche vruchten. [1]
       

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Jeanne Reyneke van Stuwe (1912)– [tijdschrift] Nieuwe Gids, De De sneeuwen wereld.