gedraai

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·draai
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedraai
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedraai o [1]

  1. aanhoudend omwentelingen maken
    • Shoarma komt van het Turkse woord ‘cevirme’, wat draaiend betekent. In letterlijke zin zou ik onderstaand recept dan ook geen shoarma mogen noemen. Het vlees wordt immers in de pan gebakken; er komt geen gedraai aan te pas.[2] 
  2. het voortdurend van mening veranderen
    • Je went eraan, misschien is dat het ergste: de infantiele leugens, de uitzinnige hyperbolen, het cynische gedraai, de krankjorume discussies – de presentatie van de nieuwe ambassadeur van de Verenigde Staten, Pete Hoekstra, zoals die zich afgelopen woensdag voltrok, zou een paar jaar geleden ondenkbaar zijn geweest.[3] 
  3. (figuurlijk) het voortdurend omslachtig bezig zijn
    • Bommen op ziekenhuis: na veel gedraai officieel excuus: De afgelopen dagen rezen steeds meer vragen over de Amerikaanse bommen op een ziekenhuis van AzG. Gisteren zei Obama ‘sorry’.[4] 
    • Dick Advocaat gaat samen met Ruud Gullit het Nederlands Elftal leiden, meldt de Telegraaf. Daar ging gedraai van technisch directeur Hans van Breukelen van de KNVB aan vooraf.[5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Janneke Vreugdenhil 9 december 2013
  3. NRC Bas Heijne 12 januari 2018
  4. de Telegraaf Maartje Somers 8 oktober 2015
  5. NRC Arjan Meesterburrie 27 april 2017