gewende

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·wen·de

Werkwoord

vervoeging van
gewennen

gewende

  1. enkelvoud verleden tijd van gewennen
    • Ik gewende. 
    • Jij gewende. 
    • Hij, zij, het gewende. 
  2. verbogen vorm van gewend, voltooid deelwoord van gewennen
vervoeging van: wennen…
verbogen vorm: gewendee

gewende

  1. verbogen vorm van gewend, voltooid deelwoord van wennen
vervoeging van: wenden…
verbogen vorm: gewendee

gewende

  1. verbogen vorm van gewend, voltooid deelwoord van wenden

Bijvoeglijk naamwoord

gewende

  1. verbogen vorm van de stellende trap van gewend

Gangbaarheid