gevaren
Uiterlijk
- ge·va·ren
| vervoeging van: | varen… |
| geen verbogen vorm | |
gevaren
- voltooid deelwoord van varen
de gevaren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gevaar
- ▸ Zo zag ik erg op tegen onbekende gevaren op de trail zoals ratelslangen, beren, steile bergen, felle zon en hoge temperaturen in de woestijn.[1]
- ▸ Ook kinderen tot elf jaar belanden regelmatig in het ziekenhuis. "Zij beginnen net met fietsen", zegt Baden. "Ze zijn de vaardigheid nog aan het leren, en hebben nog minder zicht op de gevaren van het verkeer."[2]
- Het woord gevaren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Weblink bron Noor de Kort“Nederlanders willen geen fietshelm, maar dat gaat misschien veranderen” (16 april 2025), NOS