getij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·tij
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘eb en vloed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • afgeleid van tij met het voorvoegsel ge- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord getij getijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getij o

  1. de periodieke wisseling van de waterstand met eb en vloed.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen