gestook

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·stook
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gestook
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gestook o [1]

  1. het maken en onderhouden van een vuur
  2. (figuurlijk) het zorgen voor het oplaaien van een conflict
    • Dit is zijn andere kant, geen gefok en geen gestook. Vissen is zijn overgave aan Het Grote Nietsdoen. Zo veel mogelijk vangen, dat vinden mannen blijkbaar altijd een uitdaging. Het water is bruin, materiaalman Arnold heeft deze plek geadviseerd. "Normaal ga ik ergens anders zitten." [2] 
    • De spiegel die hij Europa voorhoudt, toont een genadeloos beeld. Europa valt uiteen, ondermijnd door eigen falen en gestook van buitenaf, vooral door Rusland. "Europa is steeds minder democratisch, stagneert economisch, wordt door extremisten van allerlei slag bedreigd en daalt langzaam maar zeker af op het eens ondenkbare pad dat naar oorlog leidt", aldus de Amerikaanse journalist James Kirchick. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia M. Rothe 8 oktober 2010 BLOG: Hengelen
  3. Tubantia H. van Zon 30 maart 2017 'Europa, word wakker of ga ten onder'