geroepene

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·roe·pe·ne
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geroepene geroepenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geroepene v/m

  1. een persoon die wordt aangesproken
  2. iemand die uitverkoren is
    • Hier kwam God neêr; dies is hij heilig,
      De onder Zijn voeten wankle rots.
      Maar de geroepene leeft veilig
      Voor het verborgen aanschijn Gods. [1]
       
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. DBNL (1933)–Willem de Mérode Het kristal. geraadpleegd 21 december 2018