gerijmel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·rij·mel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gerijmel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gerijmel o [1]

  1. (pejoratief) het schrijven van rijmende gedichtjes van weinig literaire kwaliteit
    • In deze macabere ambiance klonk in een sinistere hoek opeens een ridicuul gerijmel: een kwetterende kwibus sms’te met een vinkenslag een geïmproviseerde rap naar het mobiele nummer van de primus inter pares onder de pleitbezorgers voor onze normen en waarden. [2] 
    • Tot de jaren vijftig golden klassieke sonnetten van dichters als J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst als het hoogst haalbare in de Nederlandstalige poëzie. De Vijftigers pakten het anders aan. „Geen gerijmel. Geen voorgeschreven dreun”, zo vat Kouwenaar hun zelf verkozen opdracht samen. [3] 
    • Bijgevolg was er weinig waardering voor letterkunde van vóór de Gouden Eeuw, zoals het ‘misselijk gerijmel’ van Anna Bijns (1493-1575). En Karel ende Elegast (13de eeuw), een klassieker naar huidige maatstaven, was volgens Vaderlandsche letteroefeningen zelfs ‘een misselyke roman’. [4] 
  2. (pejoratief) dichtwerk van zeer slechte kwaliteit
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad 14-12-2004 Groot Dictee 2005: Normen en waarden
  3. NRC Derk Walters 24 december 2011 Gevoelens moet je terugdringen
  4. NRC Arjen Fortuin 16 december 2011 Vondel in de canon als vaderlander