geplogenheid
Uiterlijk
- ge·plo·gen·heid
- afgeleid van geplogen (van het verl.deelw. van het oorspronkelijke sterke werkwoord plegen (gewoon zijn (te), regelmatig doen) met het achtervoegsel -heid [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | geplogenheid | geplogenheden |
| verkleinwoord | - | - |
de geplogenheid v
- (in België) (formeel) datgene wat men pleegt te doen
- Dit was al vele jaren een geplogenheid.
- Het woord geplogenheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "geplogenheid" herkend door:
| 9 % | van de Nederlanders; |
| 67 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ geplogenheid op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be